Opdrachten van private beleggers

Waarom zou je meedoen aan aanbestedingen als je dat geld ook kunt steken in architectuur? Zo denkt Tim Vermeend over zijn architectuurpraktijk. Na een marktverkenning besloot hij zich te richten op private beleggers. En met succes: in de crisis is zijn bureau gegroeid naar 25 medewerkers.

cover

Maar hoe krijg je opdrachten van private beleggers? Lees in de derde editie van Architect Business hoe Vermeend dit voor elkaar heeft gekregen. Het interview met hem wordt geïllustreerd aan de hand van één van zijn meest recente projecten: het sprookjesachtige Paviljoen van De Dame aan het Paterswoldsemeer. Of het ook mogelijk was dat ik even met de opdrachtgever zou bellen. “Nee Merel, wanneer je met private beleggers werkt, is het waarborgen van hun privacy erg belangrijk. Ik kan ze je niet hun contactgegevens geven.”

Videomarketing voor architecten

Vervolgens gaat Stijn Poelstra (architectuurfotograaf) met Stijn Kemper (Powerhouse Company) in gesprek over videomarketing voor architecten. Architecten ontwerpen levensechte, driedimensionale producten. Als er iets geschikt is om te filmen, dan is het wel architectuur. Toch blijven architecten achter op het gebied van videomarketing: promotie door middel van video.

Next level portfolio

Op dit vlak onderscheidt Powerhouse Company zich van andere architectenbureaus. Poelstra is benieuwd wat het doel van deze video’s is en wie het bureau op deze manier wil bereiken. Kemper vertelt dat het voor hun een logisch gevolg was toen ze bezig waren met hun ‘next level portfolio’. Patrick Severein (LVB Networks) geeft tips wanneer je zelf video’s gaat maken: “een video van een meneer die vanachter zijn bureau heel geïnspireerd zit te vertellen, is NIET inspirerend”.

Talent

Het laatste onderwerp waar ik ben ingedoken is: hoe vind (en behoud) je talent? Architectuur is een mensen-business. Zonder goede mensen ben je nergens. Het is daarom van cruciaal belang dat je als bureau de juiste mensen in dienst neemt. Dankzij de stijgende vraag in de (bouw)markt zijn veel bureaus op zoek naar talent. David Gianotten en Eveline van der Grinten geven een inkijkje hoe hun bureaus talent selecteren, belonen en ruimte geven zich te ontwikkelen.

Flexibele schil

Daarnaast werken veel bureaus tegenwoordig met een flexibele schil: 80% van het personeel is in dienst en 20% wordt op projectbasis ingehuurd. Op deze manier kunnen bureaus inspelen op de veranderende werkvraag, waardoor je voorkomt dat je als bureau onnodig risico loopt door te veel personeelskosten.

10 do’s en don’ts

Samen met Business Manager Joost Koevoets (ELLBRU) heb ik een lijstje met 10 DO’s en DON’Ts opgesteld wanneer je als architectenbureau (tijdelijk) op zoek bent naar bouwkundig talent. Heb je bijvoorbeeld geen uitgebreide HR-afdeling of ben je niet werkzaam op een hogeschool of Universiteit waardoor je al vroeg talent kunt spotten? Dan is het erg belangrijk dat talent jou weet te vinden! Niet alleen via google, maar ook door gevestigd te zijn op een bereikbare locatie.

De eerste jongerenhospice van NL

Hij is online: de tweede editie van de Architect Business! Deze keer heb ik architect Erik van Tussenbroek het hemd van het lijf gevraagd over hoe hij aan de bijzondere opdracht voor de eerste jongerenhospice in Nederland is gekomen. Ook heb ik een tweegesprek opgezet over de rol van de architect in het BIM-proces. En ‘last but not least’ ga ik in op de golf van toetredende partners bij gevestigde bureaus.

Emotioneel verbonden

Architect Erik van Tussenbroek was vanaf de eerste marktverkenning tot en met het laatste lichtknopje betrokken bij de totstandkoming van de eerste jongerenhospice van Nederland. “Iedereen die ermee in aanraking kwam, was op slag emotioneel verbonden”, aldus Michiel Ensink (opdrachtgever vanuit DUWO). De enorme betrokkenheid van Van Tussenbroek heeft zijn vruchten af geworpen, want deze zomer won het project de Hedy d’Ancona prijs voor excellente zorgarchitectuur.

De architect levert de prestatiemodellen

In het tweegesprek tussen Gustaaf Kühne (groepscoördinator bij EGM) en Lex Ransijn (BIM-manager bij de Nijs) staat BIM centraal. Allebei zijn ze vanuit hun eigen vak koplopers op dit gebied. Van te voren kenden ze elkaar niet, waardoor ik geen een-tweetjes verwachtte, maar ze zijn het op de meeste punten behoorlijk met elkaar eens. Zo vinden ze allebei dat de architect verantwoordelijk moet zijn voor het maken van prestatiemodellen.

BIM implementeren doe je (niet) zo

Voor hen is het duidelijk: als je nu nog als architect met BIM moet beginnen heb je de boot gemist. Mocht je toch nog aan het begin staan van de implementatie van BIM in je bedrijf dan zijn wellicht de DO’s DON’Ts bruikbaar die ik samen met Ronald van Aggelen heb samengesteld. Zo moet je volgens hem vooral niet denken dat je als architect dankzij BIM de bouwheer bent in het bouwproces en raadt hij je aan onderzoek te doen naar verschillende softwarepakketten.

Het architectenbureau als netwerkorganisatie

Veel gevestigde bureaus stellen nieuwe partners aan. Een mooie ontwikkeling na jaren waarin veel bureaus omvielen. Dankzij de grotere partnergroepen veranderen bureaus in netwerkorganisaties waarbij elke partner zijn eigen specialisatie heeft. Ik vroeg Josine van Gulik (Inbo), Daan Zandbelt (De Zwarte Hond) en Jeroen Zuidgeest (MVRDV) welke rol zij vervullen binnen de partnergroep en wat hun motivatie was om toe te treden. Josine en Jeroen kennen het bureau door en door en zijn via verschillende stappen ernaartoe gegroeid, terwijl Daan van buitenaf is aangetrokken als partner.

Hoeveel is een architectenbureau waard?

Over hoe de verhoudingen binnen de partnergroep precies zijn, konden ze me niet allemaal even veel vertellen. Maar ik vraag me wel altijd af: waar moet je opletten als je als partner toetreedt? Hoe koop je je in? En wat moet je dan betalen? Wat is een architectenbureau waard? En hoe zit het met het doemscenario als je vertrekt? Ondernemingsrecht advocaat Mr. Edith Groenewegen-Caris gaf me antwoord op veel van deze vragen. Samen met haar heb ik een lijstje met tien tips opgesteld mocht je ook de ambitie hebben om ooit partner te worden.

Lezen!

Wil je meer over deze onderwerpen weten, download dan deze nieuwe editie en lees hem goed door. Ik zou het heel tof vinden als je me achteraf laat weten wat je ervan vindt. Heb je suggesties of vragen, schroom dan niet en laat het me weten. Je kunt me mailen op m.pit@dearchitect.nl of vinden op sociale media, zoals twitter, Facebook en LinkedIn.

De humuslaag van de stad

‘Je kunt jaren in Rotterdam wonen en nooit op Zuid komen. In feite verschillen ze in alles van elkaar’, stelt Michelle Provoost, architectuurhistoricus bij Crimson Architectural Historians. We interviewen haar aan de hand van citaten die zijn ontleend aan het boekje ‘Hoe zal Rotterdam bouwen’ dat Herman Kraaijvanger in 1946 schreef.

Met haar uitgebreide kennis over architectuur en de geschiedenis van Rotterdam is Michelle Provoost de aangewezen persoon om de visie van Herman Kraaijvanger te analyseren en te koppelen aan het nu.

mprovoost

Twee delen Stad als totaliteit

Herman Kraaijvanger (HK): “Het is een probleem van de eerste orde om Zuid te maken tot een menschwaardige stad.  Zuid en Noord moeten zich beide deelen voelen van één geheel […] Geen wederopbouwplan van Noord kan aanvaard worden, indien dit vraagstuk niet in zijn geheel aan de orde zal worden gesteld.”

Michelle Provoost (MP): Je kunt jaren in Rotterdam wonen en nooit op Zuid komen. In feite verschillen ze in alles van elkaar; dat zegt genoeg over de huidige tweedeling in Rotterdam. De problemen in Zuid zijn hardnekkig en dat komt misschien wel omdat deze niet op te lossen zijn met stadsontwikkeling. Het ligt aan andere factoren, zoals het gebrek aan werk en onderwijs. Deze dingen zijn echter moeilijk te dirigeren, al waren de problemen waarschijnlijk opgelost wanneer bijvoorbeeld de Erasmus Universiteit op Zuid was geplaatst.

In die zin liggen er kansen voor Zuid in de transformatie die de haven zal doormaken. Door de toekomstige verduurzaming en de energietransitie moet de haven een nieuwe groene economie omarmen. Het stadsdeel heeft er enorm onder geleden dat de haven is losgekoppeld en geautomatiseerd, door slimme combinaties te maken zou Zuid kunnen profiteren van de transformatie.

Stad aan de rivier

HK: ‘’Er is niet alleen noodig  een grootsche boulevard langs de rivier, maar deze weg moet duidelijk verbonden zijn met de stad op zulk een wijze, dat het leven van de binnenstad zich zal voortplanten tot aan de rivier. Daarbij zal men vanuit de stad de rivier moeten kunnen zien en beleven.”

MP: Sinds het ‘venster op de rivier’ tijdens de wederopbouw werd geïntroduceerd, heeft Rotterdam hier telkens op gefocust; de Erasmusbrug en de ontwikkeling van Katendrecht zijn hier concrete uitingen van. De schaal, de breedte en de drukte van de scheepvaart op de rivier bemoeilijkte echter de verbinding met de rivier. In Rotterdam is de rivierkant geen openbare verblijfsruimte, maar een werkruimte. Hierdoor is het geen stad aan de rivier in traditionele zin. De relatie die Rotterdam met de Maas aangaat, past bij de stad.

mprovoost-2

Derde Dimensie

HK: “Zoo zal er een wisselwerking moeten blijven bestaan tusschen den stedebouwer en de architecten bij de realisatie van de derde dimensie.’’

MP: Rotterdam heeft zich lange tijd gefocust op het bouwen van grote objecten, de openbare ruimte was van secundair belang. Het ging altijd over het grote getal, zoals heel veel woningen of een geheel nieuw stadscentrum bestaand uit grote objecten en torens. Dit heeft echter tot gevolg dat het gebied tussen deze objecten van slechte kwaliteit is, net zoals de verbindingen in de stad. Hoe kom je van de Hoogstraat naar de Nieuwe Binnenweg? Leg dat maar eens uit aan een toerist. Er is geen duidelijke route. Natuurlijk is het belangrijk hoe de Coolsingel eruitziet, maar de kleinere paden en verbindingen, de ‘fijnmazigheid’ van de stad is nu veel belangrijker. Rotterdam moet zich meer bezig gaan houden met finesses, met de humuslaag van de stad. De eerste stappen zijn gelukkig gezet, kijk maar naar de Luchtsingel van ZUS, de Hofbogen of de brug naar Katendrecht.

[Ik schreef deze blog voor deArchitect.nl samen met Dirkje Bazuin]

De toekomst van het mbo

De meeste ROC’s liggen geïsoleerd aan de randen van de stad en hebben de uitstraling van een kantoor. De huisvesting van het middelbaar beroepsonderwijs weerspiegelt de positie van de mbo-er in de maatschappij: ze worden niet genoeg gezien voor wat ze waard zijn.

En dat terwijl mbo-ers door een open houding en hun aanpassingsvermogen in staat zijn contact te maken met alle lagen van de maatschappij en gemakkelijk verbindingen aan gaan. Daarmee is het mbo de perfecte plek om de polarisering van de maatschappij tegen te gaan.

Hoe ziet het middelbaar beroepsonderwijs van de toekomst eruit? Om welke ruimtelijke vertalingen vraagt dit? Welke kansen biedt de stad bij deze onderwijsvernieuwing?

Deze vragen stonden centraal tijdens de bijeenkomst De Stad als Onderwijsomgeving op 24 mei 2016 op de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam.

Lees het verslag van de bijeenkomst dat ik schreef voor het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.

chk9811web

De Architect Business, nummer 1

Ik heb voor BIM Media de eerste editie van de Architect Business, het digitale magazine voor de ondernemende architect, gemaakt. Het magazine komt 8 keer per jaar uit.

Het eerste exemplaar is zojuist overhandigd aan Floris Alkemade, Rijksbouwmeester en directeur FAA en Jeroen van Schooten, oud-voorzitter BNA en architectdirecteur van Team V Architectuur. Floris Alkemade zei dat een beter inzicht in de ondernemende kant van de architectuur de architect een stevigere positie zal geven in het wonderlijke krachtenspel dat de bouwproductie bepaalt. “Naïviteit op dit punt is levensgevaarlijk gebleken, goed dat dit magazine daar nu verandering in probeert te brengen.”

Deze keer krijg je antwoorden op vragen als: hoe haal je business uit de Expo Real? Waarom zou je als architect als risico nemende partij in een project staan? En: hoezo zijn goede visuals onontbeerlijk voor je ontwerp?

cover

Go Groene Marathon!

Helaas. Helaas. Het Stadswaterpark – waarover ik eerder blogde – is niet door naar de volgende ronde van het Rotterdams Stadsinitiatief. Uit de 120 inzendingen zijn 7 andere plannen gekozen.

degroenemarathon02

Daartussen staat echter een hele mooie andere inzending die ik eerder over het hoofd heb gezien: De Groene Marathon door Jacques Vink van ruimtelab architecten. Een plan voor een recreatieve natuurroute van meer dan 40 km door Rotterdam.

Het plan doet me enigszins denken aan de Groene Loper 010, een ‘ontdekkingsreis naar de groene ziel van de stad’. Beide initiatieven zetten immers in op het zichtbaar en beleefbaar maken van bestaand groen door het ontsluiten van routes en informatie voorziening via een website, events en publicaties.

degroenemarathon01

De Groene Marathon is echter een beduidend langere route door heel Rotterdam (zie bovenstaande kaart), in plaats van door stadsdelen en die permanent is te volgen. Leuke aanvulling is de kanoroute. Daarnaast is in het projectplan opgenomen dat de minder groene stukken groener worden gemaakt door middel van 5 projecten.

Het is dat ik niet meer in Rotterdam woon, anders had ik zeker gestemd op het plan van Jacques. Go Groene Marathon!

Zoek de lerarenkamer

“Ja die plattegronden, daar begrijp ik weinig van. Ik heb er tijden naar staan turen op zoek naar de lerarenkamer, maar ik heb hem nergens kunnen ontdekken.” Mijn moeder krijgt een nieuwe werkplek binnen het Onderwijspark Ezinge. Ze is eerstegraads docent Engels aan de middelbare school Stad & Esch in Meppel.

atelier pro 02

Trots toont ze mij een folder die begint met heel veel ‘we’ – voor het draagvlak – en aantrekkelijke ambities: ‘Bij Stad & Esch werken we samen aan een grote droom: we maken de plek waar ontdekken en leren als vanzelf gaat.’ ‘We zijn een scholengemeenschap waar de passie vanaf spat.’ ‘De ideeën over een ideale school zitten in ons hoofd en in ons hart. Ze worden zichtbaar in de manier waarop we werken.’

Vervolgens wordt het ontwerp van Atelier Pro toegelicht. Het bureau heeft de dromen en de idealen vertaald in een gebouw. Vrolijke renders van fijne ruimtes met veel leerlingen, waarvan eentje werkt aan een replica van de Rietveldstoel en een ander een maquette omhoog houdt – architectengrapjes, gotta love them.

“Waar kom jij nou te zitten?”, vraag ik mijn moeder. Ze kijkt me wat glazig aan. Ze vindt het lastig om wijs te worden uit plattegronden. Wat ze wel heeft begrepen, is dat de school geheel gedigitaliseerd is – alle leerlingen hebben een MacBook Pro (!) – en dat er in het nieuwe gebouw dus geen ruimte is voor haar twee bomvolle boekenkasten.

atelier pro 03

Een vooruitstrevend concept. Maar hoe moet ze lesgeven wanneer het netwerk het laat afweten en het digitale lesmateriaal niet te raadplegen is? Projectarchitecten Dorte Kristensen en Christina Kaiser hebben in ieder geval rekening gehouden met het feit dat onderwijsconcepten om de zoveel jaar veranderen door de ruimtes aanpasbaar te maken.

Een goed gebouw bestaat immers langer dan een onderwijsconcept.

Dorte en Christina lichten in dit filmpje hun ontwerp toe:

OASE-sponsorship

Mijn abonnement op OASE, journal for architecture, heeft veel weg van een sponsorship. Want ook al heb ik groot vertrouwen in de relevantie van het werk van de redactie – OASE laat zich niet misleiden door ‘de waan van de dag’ – de meeste edities eindigen ongelezen in de boekenkast.

Nummer 89 is sinds een paar weken uit (of is het al meer dan een maand?). Het thema is ‘de middelgrote stad’. Omdat ik me had voorgenomen deze editie eens echt te lezen, ligt hij op een prominente plek in de woonkamer: op de bank. Elke keer als ik hem zie liggen, een paar keer per dag, denk ik na over de middelgrote stad.

Veel verder dan de vraag ‘Wat is eigenlijk een middelgrote stad?’ ben ik nog niet gekomen. (Behoort Tilburg hiertoe? Of Nijmegen? Zwolle misschien?) Deze vraag intigeert me mateloos. Zijn het inwoneraantallen die dit definiëren? De oppervlakte die de stad beslaat? Het voorzieningenniveau? Het draagvlak? De internationale reputatie?

Vanavond sloeg ik eindelijk het nummer daadwerkelijk open om te gaan lezen. In de inleiding werd mij al meteen duidelijk dat ik geen antwoord op mijn vraag zal krijgen: “Dit OASE-nummer gaat niet uit van een scherp afgebakende definitie van de middelgrote stad. Centraal staat welke stedelijke conditie zich binnen dit begrip laat denken. Interessant is de grote flexibiliteit van de notie ‘middelgrote stad’ […]”.

Ik ben nu een beetje van mijn a propos. Wekenlang benader ik dit onderwerp veel te simpel, blijkt nu. Ik staar in het kaarslicht voor mij, tja Earth Hour.

Morgen. Morgen, ga ik het nummer echt uitlezen. Bij de leeslamp.